

Hernieuwen
Als er iemand sterft, dan word je,buiten het grote verdriet, overspoeld door praktische zaken: afspraken met het mortuarium, het kiezen en schrijven van de brieven, het regelen van de koffietafel, het misboekje maken, de juiste teksten en muziek kiezen, een kist kiezen, enz...
Terwijl word je die eerste dagen omringd door vele vrienden, buren en bekenden.
Mooie herinneringen worden bovengehaald en er wordt zelfs al eens gelachen met één of andere anecdote van "bompa"...
Je wordt als het ware weggetrokken van je verdriet, er is geen tijd voor, je wordt constant met iets praktisch bezig gehouden.
Na de koffietafel, als iedereen naar zijn eigen huis is, en je gaat alleen naar het jouwe, dan pas komt de leegte, de verslagenheid...
Misschien is het in onze cultuur wel zo gegroeid om niet onmiddellijk in die leegte te vallen, je nog wat af te schermen voor de grote slag...
Zo ook bij vrienden van mij, waarvan de vader van hem verleden week is overleden.
Nu is alles voorbij en komt het gapend gat.
En dit terwijl de rest van de wereld gewoon doordraait...
Ik sta er even bij stil en denk aan al die mensen die iemand pas verloren hebben en waar wij geen weet van hebben: zoveel pijn, zoveel verdriet...
Terwijl blijven wij ons bezighouden met de dingen van elke dag, niet bewust van het verdriet dat ons , soms zo dichtbij, omringd.
Zo ook mijn mailvriendin, die nu voor het harde feit staat dat haar relatie, die oh zo goed was, over is, voor altijd.
Ik vraag me dagelijks af hoe het met haar gaat, hoe zij de dagen en nachten doorkomt met de vertwijfeling, de onmacht en de pijn in haar hart.
Ik wou dat ik meer kon doen dan machteloos toe te kijken in gedachten.
Zovele mensen mailen me, elk met hun eigen verhaal.
Soms zijn er hoopvolle bij, leuke en opbeurende, zoals de prille zwangerschap van een lotgenote en de prille verliefdheid van een vriendin, die, ondanks veel verdriet, nu toch weer een evenwicht heeft gevonden.
Of de mail-
Het sterkt haar waarschijnlijk in haar ziekte.
Ieder heeft zo zijn eigen verhaal, maar kan het niet altijd kwijt...
En terwijl gaat het leven zijn gangetje, alsof er niets aan de hand is, terwijl er bij zoveel mensen iets speciaals gebeurt of te gebeuren staat.
Raar, vind ik dat soms.
Maar zo moet het zijn, het leven heeft zo zijn eigen ritme en soms ga je even van die molen af, om er later weer terug op te springen...
Ook voor jou gaat het leven door, willen of niet.
Ik zie het buiten aan de natuur:
de kikkers laten hun mooiste gebrul horen,fier bij hun trossen kikkerdril, de mussen zijn ijverig bezig aan het leggen van de laatste hand aan hun nest: een hoopvol begin, de vissen zijn uit hun winterslaap en verkennen weer de vijver, blij dat de vrieskou weg is, de druivelaar laat zijn eerste blaadjes zien en de appelboom pronkt met zijn nieuwe bloesems: overal komt er nieuw leven.
Het leven hernieuwt zich, telkens opnieuw.
Het is een oerkracht die alles overstijgt en niet is tegen te houden.
Laat ons wat van die kracht in ons opnemen en ons hernieuwen, dat wens ik jullie allemaal vandaag toe.
Columnstukje: ‘In de zoete inval.’ Mei 2009
Sinds deze lente volgen wij het Amerikaans model, kwestie van het voeren van de vogels.
Zij geven het ganse jaar door allerlei gevarieerd eten en krijgen zo een bonte verzameling hun tuin ingevlogen.
Dus wij ook dit jaar.
Dirk naar de zaadwinkel en gepakt en gezakt met allerlei lekkers: bessen, meel met honing, gemengd zaad, vetbollen, pindas en pindas in vet.
Het hele goedje wordt zorgvuldig uitgestald in het wintervogelkastje en op de oprit, waar de mussen hun eetplaats van boterhammen hebben.
Brood mag niet ontbreken.
Bij iedere snede leggen we lekkers bij en dan maar afwachten.
We hebben onze rug nog niet gedraaid of daar komen de eerste mussen al voor hun ontbijt.
Gevolgd door meesjes, lijsters, grote zwarte raven, eksters, boomklevers, bonte spechten en zelfs een eekhoorntje die onze kersenboom bewoond, komt een boterhammetje meeeten.
Onze gevederde vrienden stoppen hun jongen vol met dit fastfood en het zou ons niet verwonderen dat ze zo van die jongen kweken met een paar pondjes overgewicht en bij hun eerst vliegbeurt niet van de grond geraken.
Elke dag gaat het restaurant rond 6u open, dan sta ik toch voor de zoveelste keer op.
Ze zitten al te wachten: het mussenpaar dat een studio heeft gehuurd onder de dakpannen met zicht op de tuin, het koppeltje dat een appartement heeft aan de voorkant met zicht op straat, mama en papa lijster die gebroederlijk en zonder racisme naast het mussenpaar een fraai ingerichte woonst heeft...
Het mussenpaar van aan de tuinkant, bedrijft schaamteloos de liefde in de dakgoot, vlak boven mijn hoofd, in het zicht van hun jongen.
Mijn afkeurende blik laat ze stoïcijns koud.
Ik ben dan waarschijnlijk nog van de ouderwetse generatie.
Eekhoorntje trekt zich gene ene moer aan van dit volkje en eet gulzig mee van dit open buffet.
Na een kwartiertje is er niets meer te merken van dit alles, de raven hebben de laatste broodkorsten per 4 mee en enkel een eenzame vetbol is getuige van dit feestmaal.
Nu Dirk in Milaan zit, ben ik deze week alleen opdienster van dit cateringbedrijf.
' s Morgens, ' s middags en ' s avonds dezelfde reutemeteut.
Daartussen komt er nog regelmatig een verwaarloosd zwart poesje, hoogzwanger en zelf nog een kind om bij ons binnen te eten.
Dan is het uitkijken dat deze niet in de haren vliegt van de oude bewoners hier: broer en zus poes.
Ook deze hebben tegenwoordig constant zin in allerlei hapjes, want zien eten doet eten.
Als ik om 23u eindelijk uitgeput op mijn strandstoel lig en de 2 poezen met hun poten omhoog op de zetel,slaak ik een welverdiende zucht: eindelijk rust, maar dat is buiten een ongenode gast gerekend.
Als ik suffend op het terras mijn laatste sigaretje ga roken en geniet van de stilte en de rust die is weergekeerd, zie ik een marathonlopende egel zich tegoed doen aan de restje vetbol en de broodkorsten.
Dus voor meneer nog een bakje poezenbrokjes.
Ik moet dringend contracten gaan opstellen: verhuur met half pension, kort verblijf, verdertrekkend...
Een bed & breakfast is hier niet voldoende, we moeten uitbreiden, werk aan de winkel.
En nog een naam kiezen voor ons hotel: misschien: "In de zoete inval"?
Als ik rond 00u doodmoe naar boven slenter denk ik: sport: dat doe ik nu de ganse dag, zie!
En nu slapen, want morgen staan de gasten weer paraat en een manager met een kop om op te schieten.
Columnstukje: ‘Nougabollen.’ Maart 2009
We moesten maar eens een MNR scan laten nemen, opperde de neuroloog van dienst bezorgd
op mijn aanhoudende kaak-
Op zo'n scan kon je alles zien, alle bloedvaten en zenuwen en waarschijnlijk lag bij mij de ene broederlijk tegen de andere.
"Waarschijnlijk gaan we er niets kunnen op zien", sprak hij zichzelf tegen: hoop alom!
Op de afgesproken dag zaten we, tegen beter weten in, braafjes een half uur op voorhand in de wachtzaal of beter gang.
"Gewoon de groene pijlen volgen," had de juffrouw aan de desk gezegd.
10 meter verderop stond een oude man in pyjama en in een rolstoel neergepoot, ergens vergeten tussen de paperassen.
De gang was buiten ons verlaten.
Toen we, na een kwartier onze twijfels uitspraken tegen mekaar, zei ik vlug:"vraag het vlug aan die man daar!", deze kwam net de hoek om en zijn witte jas en stethoscoop lieten iedereen zien, voor wie twijfelde, dat deze jongeling met jeugdpeustjes, wel degelijk dokter was.
"Oh,maar dan moet u door de oranje deuren" zei hij.
Dus wij al wielend in een race naar de juiste wachtzaal, de eenzame verlaten patient achterlatend.
Net toen we binnenrolden, kwam de verpleegster, waarschijnlijk voor de zoveelste keer, wat kribbig kijken waar we bleven.
Ik mocht geheid mee naar de scankamer, doorheen een bouwwerf van losse plafonds en pasgekalkte muren.Voor de deur mocht de rolstoel blijven staan, samen met Dirk en werd ik aan de arm meegetroond naar een kamer waar een middeleeuws ogende masthodont van een machine stond.
Ik mocht gaan liggen en kreeg een soort rugbymasker om.
Nu voelde ik me al meer bestand tegen wat er komen zou.
Ik werd in de scan geschoven en de verpleegster duwde me een gummi knijpbol in mijn hand, om te bellen als ik eruit wou.
Nu maakte dat spul hoegenaamd geen belgeluid maar een toetergeluid, zoals je nog wel in films ziet met autos van de jaren 20.
"Niet bewegen vanaf nu" schreeuwde ze me toe vanaf haar verre, geisoleerde plek.
ik hield me stokstijf en durfde bijna niet meer te ademen.
Binnen de seconde vloog ik omhoog door de gloeiend harde muziek die door mijn hoofdtelefoon galmde.
Gelukkig was er de rugbyhelm om me op mijn plaats te houden.
Wie in Godsnaam kreeg het in zijn hoofd om dat ding zo onverantwoord hard te zetten dat je er doof van werd.
Algauw begon de masthodont te kreunen en te schrapen en knarste zijn stalen omhulsel rond mij.
Toen kwam het geluid van een drilboor die door een massief stuk beton moest en zou raken.
Daarom stond die muziek zo knallend hard, niet dat het ook maar een lievemoederen hielp, tegen de drilboor kan ie niet op.
De ouwbollige song van de musical "Annie" doorboorde mijn trommelvliezen met de song:"tomorrow, i love you tomorrow..."
Nou, gelijk had dat kind: morgen zou het beter zijn, als zij alvast haar klep wou houden.
De verpleegster kwam en zei dat ze me een prikje ging geven met contrastof, dus dat ik niet moest schrikken.
Ik murmelde onbeweegbaar.
"Mevrouw Boon, bent u nog wel bij ons", schreeuwde ze en zette haar woorden kracht bij met een klets op mijn arm.
"Au, zei ik, natuurlijk ben ik er nog, ik dacht dat ik me niet mocht bewegen en zei daarom niets."
Ze ging al zuchtend terug naar haar schuilplaats en Annie begon weer te dromen over morgen, terwijl de drilboor zich weer in aanslag zette.
Na een halfuur foltering in deze ijzeren machine, werd de muziek stilgezet en de drilboor zweeg.
Ah, wat een heerlijke stilte, hoewel mijn hoofd op barsten stond en mijn oren tuitten.
Galant hielp de verpleegster me uit de greep van de machine en bood me haar arm.
"Gaat het nog?" vroeg ze bezorgd.
"Nu, zei ik, ik weet niet wat ik het ergste vond: de drilboor of het gekweel van Annie!"
Dat antwoord had ze nog niet gehoord en keek me even schaapachtig aan en hervatte dan haar rol weer.
"We moeten een stukje tevoet, want uw rolwagen moest weg door de werken", zei ze verontschuldigend.
Stapje voor stapje schuifelden we naar de wachtzaal.
Daar keken de mensen raar en opgeschrikt op om mij in zo'n erbarmelijke toestand te zien en dachten waarschijnlijk dat dit allemaal te wijten was aan de scan.
Nog voor ik goed en wel in de rolstoel zat, riep ze de volgende, die verstijfd bleef zitten, de ogen op mij gericht.
Ze had een tweede, cordatere aanmaning nodig om haar van haar stoel te krijgen.
Een man, uitziende als een bouwvakker, kneep zijn benen bij elkaar en het zou me niet verwonderen moest hij na ons de benen hebben genomen.
Op weg naar de uitgang keek ik nog eens vluchtig in de verlaten gang, maar de verloren gezette patiënt stond daar nog steeds: te wachten op Godot, veronderstel ik.
In de auto was ik murw en sloot de ogen en neuriede zachtjes: tomorrow,tomorrow, i love you tomorrow..., met een flauwe glimlach op mijn verdwaasde gezicht.
En of ze iets hebben gevonden met die allesziende scan: nougabollen!






Yoke Boon
Columns
volgende columns zijn geschreven voor ME tijdschrift Radar van MEAB